Genieten van pensioen

Wtp voor de OR – Stap 4: Invaren, ja of nee?

Oorspronkelijk opgesteld door &Gommer Pensions Group. Inhoudelijk geactualiseerd door MZ Services

Laatst inhoudelijk gecontroleerd: 11 oktober 2026

Bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel komt bij pensioenfondsen een belangrijke vraag aan de orde:

wat gebeurt er met het pensioen dat werknemers, voormalige werknemers en gepensioneerden al hebben opgebouwd?

Blijft dat pensioen achter in de oude regeling? Of worden de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten omgezet naar de nieuwe pensioenregeling?

Dat laatste noemen we invaren.

Invaren kan grote gevolgen hebben. Niet alleen voor actieve werknemers, maar ook voor gewezen deelnemers en gepensioneerden. Daarom gaat de vraag niet simpelweg over “wel of niet meenemen”. De kern is:

Leidt invaren voor alle betrokken groepen tot een evenwichtige transitie?

Dat is Stap 4 van ons 10-stappenplan Wet toekomst pensioenen voor de OR.

10 stappenplan Wtp en OR
Bekijk het volledige 10-stappenplan Wet toekomst pensioenen voor de OR.
Wet toekomst pensioenen en de OR: in 10 stappen naar een nieuwe pensioenregeling

Eerst de eerdere stappen doorlopen

In Stap 1 heeft de OR kennis opgebouwd en het Wtp-proces georganiseerd. In Stap 2 is de huidige pensioenregeling in kaart gebracht en in Stap 3 is gekeken welke nieuwe premieregeling passend kan zijn.

Pas daarna kun je goed beoordelen wat er met de al opgebouwde pensioenen moet gebeuren.

Wat is invaren?

Bij een gewone wijziging van een pensioenregeling verandert in beginsel vooral de toekomstige pensioenopbouw.

Bij invaren gebeurt meer.

De bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten worden via een interne collectieve waardeoverdracht ingebracht in de nieuwe pensioenregeling. Het oude en nieuwe pensioen blijven daardoor bij hetzelfde pensioenfonds bij elkaar.

Bij het invaren worden de bestaande aanspraken en rechten omgerekend naar persoonlijke pensioenvermogens binnen het nieuwe pensioenstelsel.

Dat betekent dus dat niet alleen toekomstige premie-inleg onder de nieuwe regels valt, maar ook het pensioen dat in het verleden al is opgebouwd.

Invaren speelt alleen bij pensioenfondsen

Dit onderscheid is belangrijk.

Invaren speelt bij pensioenfondsen.

Pensioenregelingen die zijn ondergebracht bij een verzekeraar of premiepensioeninstelling (PPI) worden niet op deze manier ingevaren. Bestaande rechten en kapitalen bij een verzekeraar of PPI blijven in beginsel onder de bestaande voorwaarden achter, terwijl voor toekomstige pensioenopbouw een nieuwe Wtp-regeling wordt afgesproken.

Heeft jullie onderneming dus een pensioenregeling bij een verzekeraar of PPI?

Dan is Stap 4 in deze vorm snel afgerond: het wettelijke invaarvraagstuk speelt daar niet.

Het wettelijke uitgangspunt: invaren, tenzij…

Bij pensioenfondsen is het wettelijke uitgangspunt het zogenoemde standaard invaarpad.

Werkgever en werknemersvertegenwoordiging of sociale partners beoordelen of zij het pensioenfonds zullen verzoeken de bestaande pensioenaanspraken en -rechten in te varen.

Het uitgangspunt is dat zo’n verzoek wordt gedaan.

Maar daarop bestaat een belangrijke uitzondering.

Als invaren voor bepaalde groepen belanghebbenden onevenredig ongunstig zou uitpakken, kunnen werkgever en werknemersvertegenwoordiging of sociale partners besluiten géén invaarverzoek te doen.

De vraag is dus niet:

“Kunnen we beter wel of niet invaren?”

maar:

“Is invaren in onze situatie evenwichtig voor deelnemers, gewezen deelnemers, gepensioneerden en andere belanghebbenden?”

Waarom is invaren het standaardpad?

Invaren heeft een aantal praktische en inhoudelijke voordelen.

Als oude en nieuwe pensioenen in één regeling worden samengebracht:

  • hoeft het pensioenfonds niet langdurig twee verschillende pensioenregimes naast elkaar uit te voeren;
  • kunnen uitvoeringskosten en administratieve complexiteit lager zijn;
  • kunnen ook bestaande pensioenen profiteren van de mogelijkheden van het nieuwe stelsel;
  • kan het fondsvermogen in samenhang worden verdeeld;
  • kunnen reserves en buffers, binnen de wettelijke kaders, worden ingezet bij de evenwichtige inrichting van de transitie.

Dat betekent niet dat invaren automatisch altijd de beste uitkomst geeft.

Juist omdat bestaande rechten worden omgezet, moet goed worden onderzocht wat de gevolgen zijn voor verschillende groepen belanghebbenden.

Wanneer kan niet invaren beter zijn?

Er kunnen situaties bestaan waarin invaren onevenredig nadelig uitpakt.

Bijvoorbeeld wanneer bepaalde groepen door de omzetting substantieel slechter af zouden zijn en dat nadeel niet voldoende kan worden gerechtvaardigd of gecompenseerd.

Ook fondsspecifieke omstandigheden kunnen een rol spelen, zoals:

  • bijzondere garanties;
  • bijstortingsverplichtingen van de werkgever;
  • externe herverzekeringen;
  • de financiële positie van het pensioenfonds;
  • specifieke kenmerken van deelnemersgroepen;
  • de wijze waarop bestaande rechten zijn opgebouwd;
  • uitvoerbaarheidsproblemen.

Daarom moet de keuze om wel of niet in te varen altijd worden onderbouwd.

Wanneer niet wordt ingevaren, blijven de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten achter onder het bestaande financieel toetsingskader. Het pensioenfonds kan dan te maken krijgen met twee verschillende regimes: de oude rechten onder het oude stelsel en de nieuwe pensioenopbouw onder de Wtp.

Wie beslist eigenlijk over invaren?

Hier ontstaat in de praktijk gemakkelijk verwarring.

De werkgever, werknemersvertegenwoordiging of sociale partners nemen niet zelf het definitieve invaarbesluit van het pensioenfonds.

Zij bepalen eerst of zij het pensioenfonds verzoeken om de bestaande pensioenaanspraken en -rechten in te varen.

Dat verzoek en de onderbouwing ervan worden opgenomen in het transitieplan.

Vervolgens beoordeelt het pensioenfonds het invaarverzoek zelfstandig.

Het pensioenfonds kan het verzoek onder meer afwijzen wanneer:

  • het in strijd is met wet- en regelgeving;
  • invaren tot onevenwichtig nadeel voor bepaalde groepen zou leiden;
  • of de waardeoverdracht niet uitvoerbaar is binnen een beheerste en integere bedrijfsvoering.

Het pensioenfonds is dus geen uitvoerder die alleen maar “ja” hoeft te zeggen tegen wat werkgever en werknemers hebben afgesproken.

Wat is de rol van de OR?

De precieze rol van de OR hangt af van de manier waarop de pensioenregeling tot stand komt.

Bij een verplicht bedrijfstakpensioenfonds of wanneer de pensioenregeling uitputtend in een cao is geregeld, ligt de arbeidsvoorwaardelijke besluitvorming doorgaans bij werkgevers- en werknemersorganisaties. De OR heeft dan niet hetzelfde instemmingsrecht als bij een pensioenregeling waarover de werkgever zelf beslist.

Is de werkgever zelf partij bij de pensioenovereenkomst en heeft de OR op grond van artikel 27 WOR instemmingsrecht over de wijziging van de pensioenregeling? Dan heeft de OR wél een belangrijke positie in het totale Wtp-traject.

Maar ook dan moet je onderscheid maken tussen:

  1. de wijziging van de pensioenregeling, waarop het instemmingsrecht van de OR kan zien;
  2. het verzoek om invaren, dat onderdeel is van de arbeidsvoorwaardelijke transitie;
  3. het definitieve invaarbesluit van het pensioenfonds, dat door het pensioenfonds zelf wordt genomen.

De OR beslist dus niet zelfstandig over het invaarbesluit van het pensioenfonds.

Wel moet de OR bij zijn beoordeling van de nieuwe pensioenregeling kunnen begrijpen wat de voorgestelde invaarroute betekent en waarom werkgever en andere betrokken partijen vinden dat deze route evenwichtig is.

Vraag niet alleen: “Gaan we invaren?”

Voor een OR is een simpel ja/nee-antwoord onvoldoende.

Vraag vooral naar de effecten.

Welke gevolgen heeft invaren bijvoorbeeld voor:

  • actieve werknemers;
  • oudere werknemers;
  • jongere werknemers;
  • gewezen deelnemers;
  • gepensioneerden;
  • werknemers met verschillende inkomens;
  • deelnemers die kort voor hun pensioendatum zitten?

Vraag daarbij om kwantitatieve berekeningen en scenario’s.

Het gaat niet alleen om de vraag hoeveel vermogen iemand direct na de transitie krijgt. Ook toekomstige risico’s, verwachte pensioenuitkeringen, reserves en mogelijke compensatie spelen een rol. Een gemiddelde uitkomst zegt daarbij weinig als achter dat gemiddelde grote verschillen tussen groepen schuilgaan.

Kijk naar het totale transitiepakket

De keuze over invaren kan niet los worden beoordeeld van andere onderdelen van de Wtp-transitie.

Denk bijvoorbeeld aan:

  • de nieuwe premieregeling;
  • de hoogte van de premie;
  • eventuele compensatie;
  • de verdeling van het pensioenfondsvermogen;
  • de vulling van een solidariteits- of risicodelingsreserve;
  • de positie van verschillende leeftijdsgroepen;
  • afspraken over nabestaandenpensioen;
  • en de financiële positie van het pensioenfonds op het moment van overgang.

Een uitkomst die op één onderdeel nadelig lijkt, kan in het totale pakket toch evenwichtig zijn. Andersom kan een aantrekkelijke gemiddelde uitkomst verbergen dat één specifieke groep onevenredig nadeel ondervindt. Daarom staat evenwichtigheid van het totale transitiepakket centraal.

Wat staat hierover in het transitieplan?

In het transitieplan moet worden vastgelegd hoe met de bestaande pensioenaanspraken en pensioenrechten wordt omgegaan. Als werkgever en werknemersvertegenwoordiging of sociale partners om invaren verzoeken, moet worden onderbouwd waarom die keuze als evenwichtig wordt beschouwd. Wordt niet om invaren verzocht, dan moet eveneens worden uitgelegd waarom van het standaard invaarpad wordt afgeweken.

Het transitieplan bevat daarnaast de relevante berekeningen en gevolgen voor verschillende groepen deelnemers. Voor de OR is dit daarom een belangrijk informatiedocument bij de beoordeling van het totale pensioenvoorstel.

Welke andere medezeggenschap speelt bij invaren?

Bij invaren zijn meer partijen betrokken dan alleen werkgever en OR.

Zo kunnen verenigingen van gepensioneerden en gewezen deelnemers onder voorwaarden gebruikmaken van een hoorrecht tijdens de arbeidsvoorwaardelijke fase.

Binnen het pensioenfonds hebben bovendien de fondsorganen een eigen wettelijke rol.

Het verantwoordingsorgaan heeft adviesrecht over het invaarbesluit en over bepaalde keuzes rond de inzet van het fondsvermogen. Het belanghebbendenorgaan kan een goedkeuringsrecht hebben en ook het intern toezicht heeft een rol bij de beoordeling van het invaarbesluit.

Dat maakt invaren wezenlijk anders dan een regulier artikel 27-dossier binnen één onderneming.

Kan een individuele deelnemer bezwaar maken tegen invaren?

Een ander belangrijk verschil met een gewone collectieve waardeoverdracht is dat deelnemers bij het wettelijke Wtp-invaarproces geen individueel bezwaarrecht tegen het invaren hebben.

De wetgever heeft daarvoor gekozen omdat het individuele bezwaarrecht een collectieve overgang praktisch zeer moeilijk uitvoerbaar zou maken.

Daartegenover staan andere waarborgen, waaronder:

  • de evenwichtige belangenafweging;
  • het hoorrecht voor bepaalde verenigingen van gepensioneerden en gewezen deelnemers;
  • de rol van verantwoordings- en belanghebbendenorganen;
  • intern toezicht;
  • toetsing door het pensioenfonds;
  • toezicht door de toezichthouders;
  • en mogelijkheden voor geschillenbeslechting.

Voor de OR betekent dit des te meer dat de effecten voor verschillende werknemersgroepen tijdens het transitieproces zorgvuldig moeten worden onderzocht.

Wanneer is Stap 4 afgerond?

Stap 4 is afgerond wanneer duidelijk is:

  • of invaren voor jullie pensioenregeling überhaupt aan de orde is;
  • wie bevoegd is om over het invaarverzoek te besluiten;
  • waarom wel of niet om invaren wordt verzocht;
  • welke gevolgen dat heeft voor verschillende groepen;
  • hoe de keuze bijdraagt aan een evenwichtige transitie;
  • welke rol het pensioenfonds en zijn medezeggenschapsorganen hebben;
  • en hoe de keuze wordt vastgelegd in het transitieplan.

Heeft jullie onderneming een regeling bij een verzekeraar of PPI? Dan is het wettelijke invaarvraagstuk in deze betekenis niet aan de orde en kan de OR door naar de volgende stappen.

Door naar Stap 5: hoeveel premie spreken we af?

Als duidelijk is welke nieuwe regeling wordt gekozen en wat er met de bestaande pensioenrechten gebeurt, komt een volgende fundamentele vraag aan bod:

Hoeveel premie willen werkgever en werknemers voor de nieuwe pensioenregeling beschikbaar stellen?

Daarbij gaat het niet alleen om een percentage, maar ook om pensioenambitie, werknemersbijdrage en betaalbaarheid.

Dat behandelen we in Stap 5 van het Wtp-stappenplan.

Ga door naar Stap 5 – Bepaal de premie en het ambitieniveau

Bekijk het volledige Wtp-stappenplan voor de OR

Dit artikel is Stap 4 van het 10-stappenplan Wet toekomst pensioenen voor ondernemingsraden.

In de centrale roadmap vind je alle tien stappen bij elkaar: van kennisopbouw en inventarisatie tot compensatie, transitieplan, instemming en invoering.

Patrick - adviesrecht en invloed uitoefenen artikel 25 WOR

Hulp nodig bij het beoordelen van een invaarvoorstel?

Invaren is specialistische pensioenmaterie. De OR hoeft niet zelf actuariële berekeningen te maken, maar moet wel kunnen begrijpen welke effecten een voorstel heeft en waarom de gekozen route evenwichtig wordt gevonden.

MZ Services kan helpen bij de medezeggenschapskant van het proces, de informatiebehoefte en de vragen die de OR aan werkgever en adviseurs moet stellen. Voor actuariële berekeningen, invaarscenario’s en specialistische pensioenanalyses is onafhankelijke pensioendeskundigheid vaak noodzakelijk.

 

013 – 467 65 97 info@mzservices.nl